Chat with us, powered by LiveChat

Op een late decemberavond betrapte de politie een man die een gestolen Porsche in een gehuurde vrachtauto probeerde te duwen. De vrachtwagenchauffeur kreeg argwaan en belde de politie. Die arriveerden binnen elke minuten en ontdekten dat er naast de Porsche nog drie waardevolle auto’s in de loods klaar stonden om via de haven van Antwerpen geëxporteerd te worden naar Dubai. Bij controle van de chassisnummers bleek dat alle vier de auto’s eerder dat jaar in Duitsland waren gestolen.

In de gevallen waarin de politie iemand aantreft met gestolen goederen – maar niet te bewijzen is dat diegene de spullen ook zelf zou hebben gestolen – vervolgt het Openbaar Ministerie vaak voor opzetheling dan wel schuldheling. Zo ook in dit geval. In eerste instantie nam het Openbaar Ministerie het de ondernemer kwalijk dat hij wist dat de auto’s gestolen waren en in tweede instantie dat de ondernemer toch op zijn minst ‘redelijkerwijs had moeten vermoeden’ dat auto’s gesloten waren.

Omdat de auto’s exclusieve dure modellen waren, geen kentekenplaten hadden, ’s avonds werden binnengebracht en er ’s nachts aan werd geklust, had de man volgens de Officier van Justitie moeten vermoeden dat er iets niet klopte. De Officier van Justitie voegde er nog aan toe dat de man zweette en stotterde toen de politie ter plaatste kwam en vond het verdacht dat de batterij van zijn telefoon plots leeg was toen hij de autopapieren wilde laten zien. Papieren die later vals bleken.

Op zitting voerde de verdediging het verweer dat de loods-verhuurder een vast onderzoeksprotocol afliep bij de verhuur van stallingsruimte. Dit onderzoek bevatte onder meer de controle van auto sleutels en autopapieren. Ook stond de ondernemer er op persoonlijk contact te hebben met de potentiële huurder om te bezien of hij hem kon vertrouwen. De afwezigheid van kentekens paste volgens de ondernemer bij het gereedmaken voor de export en dat hij ’s avonds laat nog auto’s ontving – en met het zweet op zijn voorhoofd versleepte – deed hij uit klantvriendelijkheid. Op de zitting toonde hij alsnog de documenten in zijn telefoon en legde uit waarom hij dacht dat deze echt waren.

De rechtbank concludeerde dat er onvoldoende bewijs was voor opzet, maar dat er op zich voldoende wettig bewijs was voor de schuld van de ondernemer. De rechtbank miste echter de overtuiging dat de man zich ook daadwerkelijk schuldig had gemaakt aan de heling en sprak hem daarom vrij. Gezien de ondernemer daarom twee nachten ten onrechte op het politiebureau heeft vastgezeten, bereidt de verdediging een verzoek tot schadevergoeding voor.

Deze ondernemer werd bijgestaan door mr. drs. Chris-Jan Kamminga, verbonden aan Weening Strafrechtadvocaten